Kritische beschouwing

door Kees Snoek

1 van 3


De Kritische beschouwing over het werk van E. du Perron is opgenomen in het Kritisch Literatuur Lexicon; een uitgave van Wolters Noordhoff, Groningen.


print de Kritische beschouwing


Publieke belangstelling
Zijn veelzijdige oeuvre ten spijt is E. du Perron vooral bekend gebleven door zijn autobiografische roman Het land van herkomst (1935), waarvan in 1996 de veertiende druk verscheen: een geannoteerde uitgave met voor het eerst alle toelichtingen van de auteur die hij in een met wit doorschoten exemplaar had genoteerd voor zijn vriend Jan Greshoff. Deze kritische leeseditie van zijn hoofdwerk, alsmede de uitgave van zijn Briefwisseling met Menno ter Braak (1962-1968) en van zijn Brieven (negen delen tussen 1977 en 1990) hebben de belangstelling voor zijn persoon levend gehouden. E. du Perron is evenals zijn literaire geestverwant Menno ter Braak onderwerp van academische studie gebleven, terwijl nieuwe gegevens over zijn avontuurlijke levensloop af en toe de aandacht van de media trekken. Dat neemt niet weg, dat zijn roman Een voorbereiding (1927), zijn verhalen en novellen, zijn essays, kritieken en notities nauwelijks meer gelezen worden. Van zijn gedichten zijn er enkele klassiek geworden, de rest is vergeten. In zijn Verzameld werk is slechts een selectie uit zijn poëzie opgenomen.

Relatie leven/werk
Door de publicatie van de kritische leeseditie van Het land van herkomst en het terugvinden in de jaren negentig van Du Perrons brieven aan zijn vriendinnen Clairette Petrucci (1922-1923), Julia Duboux (1923-1926) en Eveline Blackett (1929-1930) is opnieuw sterk de aandacht gevestigd op de innige, zij het niet onproblematische, relatie die er bestaat tussen zijn leven en zijn werk. Voor zijn vrienden was de autobiografische inspiratie van zijn geschriften van meet af aan duidelijk. Zo gaf Menno ter Braak zijn recensie van Het land van herkomst de titel mee ‘Roman voor Jane’: achter Jane ging Du Perrons tweede vrouw schuil, de romaniste en literair criticus Elisabeth de Roos, met wie hij in 1932 was getrouwd.

Visie op de wereld
Voor Du Perron was Elisabeth de Roos de Ene naar wie hij altijd had toegeleefd ; zijn trouw aan zichzelf in de opeenvolgende fasen van zijn bestaan en zijn trouw aan de vrouw van zijn keuze ontsprongen aan een romantische oriëntatie, die zijn visie op de liefde een absolutistisch karakter heeft gegeven. Een sleutelervaring voor de jeugdige Du Perron was de afwijzing van zijn liefde door Clairette Petrucci, zijn eerste muze in Europa. Zijn romantische aard spreekt uit de gedichten die hij voor haar heeft geschreven en op een indirecte manier ook uit de cynische schijngestalten die het modernistische proza van Duco Perkens bevolken. De bronnen van zijn romantische inspiratie moeten worden gezocht in zijn jeugd in Nederlands-Indië, dat in ideologisch opzicht eerder tot de negentiende dan tot de twintigste eeuw behoorde en waar ‘een koloniale nabloei van de romantiek’ de mentaliteit mede bepaalde.
Du Perrons waardestelsel is behalve door zijn koloniale milieu bepaald door zijn lectuur van negentiende-eeuwse jeugdboeken van idealistische strekking waarin een almachtige verteller zijn ideologie op dwingende wijze aan de lezer oplegt. In deze boeken behalen ridderlijke helden (heldhaftig en edelmoedig) de overwinning op moreel laagstaande figuren, die zich soms echter bekeren tot betere inzichten. Blanken zijn superieur aan gekleurden (Indianen, mestiezen) en in de romans over de Boerenoorlog worden Nederlandse waarden verdedigd tegenover Engelse. Met meer talent en veel vaart geschreven waren de romans van Alexandre Dumas, waarvan met name De drie musketiers (1843) grote invloed heeft gehad op Du Perrons emotionele habitus. Als knaap identificeerde hij zich lange tijd met D’Artagnan, de aanvoerder van de drie musketiers, die in Indië grote populariteit genoot. Een d’artagnaneske strijdbaarheid en een energieke bereidheid om strijd te leveren voor zijn waarden heeft Du Perron tot het einde van zijn leven behouden.

Ontwikkeling
Zijn eerste literaire proeve was een vertaling van Dumas’ roman Gabriel Lambert (1844) die in 1918 in een Indisch dagblad werd gepubliceerd. Vroege gedichten, waarin invloeden van de liefdeslyriek van P.C. Hooft en de Tachtigers zijn te bespeuren, verschenen pas later in een privé-uitgave in kleine oplage. Een (literair-)historische belangstelling blijkt uit zijn artikelenreeks over ‘Nederlandsch-Oost-Indische Letteren’ (1921), die de kiem vormde voor zijn meer kritisch opgezette beredeneerde bloemlezing De muze van Jan Companjie (1939).

Thematiek/Techniek
In een drietal in 1920 en 1921 gepubliceerde verhalen heeft Du Perron zich door Indische onderwerpen laten inspireren. Reeds in dit vroege proza vertoont hij een voorkeur voor de dialoogvorm, die vele critici als uniek heeft getroffen. Het thema van het verhaal ‘Don Quichotte te Soerabaja’ (1920) – de nobele geest legt het af tegen de gewetenloze handelaar – loopt vooruit op Du Perrons verzet tegen de verharde koloniale mentaliteit tijdens zijn tweede Indische periode (1936-1939).

Kunstopvatting
In zijn eerste essays toont Du Perron zich schatplichtig aan de geschiedschrijvers van de vaderlandse letterkunde, terwijl zijn gedichten de traditie van de Tachtigers volgen. Deze voorkeuren zijn hem lang bijgebleven: nog in 1925 ergerde de toen modernistische schilder Carel Willink zich aan die zo gedateerde appreciatie voor de poëzie van Willem Kloos. In 1922 maakte Du Perron door toedoen van Clairette Petrucci kennis met het werk van moderne schrijvers zoals Jean Cocteau en Blaise Cendrars. Ook de kunstenaars met wie hij in aanraking kwam in Montmartre (waarvan hij zich in Indië een romantische voorstelling had gemaakt) bleken aangetast door de modernistische ziekte, die naar zijn inzicht neerkwam op gewilde duisterheid en moedwillige verminking van het vers waaraan een grote dosis aanstellerij ten grondslag lag. Vooral Jean Cocteau was zijn bête noire. In Manuscrit trouvé dans une poche (1923), een baldadig en parmantig werkje, dat het midden houdt tussen een poëtische vertelling en een brochure, beleed hij zijn afkeer van de literaire avant-garde.

Ontwikkeling
Toch raakte ook Du Perron met het modernistische virus besmet, al heeft het nooit zijn hele wezen aangetast. De afwijzing van zijn romantische gevoelens door Clairette had hem pijnlijk getroffen. In een ‘poging tot afstand’ en uit verweer tegen de waarden van de bourgeoisie die zijns inziens Clairettes afwijzing hadden gemotiveerd, nam hij voortaan een cynische houding aan, die hij in zijn brieven aan Julia Duboux rechtstreeks koppelde aan zijn literaire pseudoniem Duco Perkens. Perkens is de cynische en soms ook wel landerige afsplitsing van Du Perron die in geen geval ‘dupe’ wil worden. Het afstandelijke alter ego fungeert zo als een verdedigingsmechanisme ter afscherming van de eigen persoonlijkheid.

Techniek/Stijl
In Perkens’ verhalen worden sterk schetsmatige, bijna allegorische figuren in bizarre situaties tegenover elkaar geplaatst en tegen elkaar uitgespeeld, begeleid door het doodleuke commentaar van de verteller. Er wordt spaarzaam gebruik gemaakt van realistische details. De handelingen van de personen worden nauwelijks verantwoord en de geschetste problemen, op relationeel en levensbeschouwelijk terrein, worden niet opgelost of worden afgekapt door een grillige wending van het lot. De stijl is lapidair, de zinnen zijn kort en staccato. In het verhaal Claudia (1925) overheerst de dialoog zo sterk dat het bijna een toneelspel wordt. Een tussen vijf (1925) heeft volgens Manu van der Aa veel weg van ‘een serie regieaanwijzingen’ of ‘de navertelling van een film die iemand fragmentarisch heeft bekeken.’ In de gedichten van Duco Perkens, Kwartier per dag (1924) en Filter (1925), wordt gebruik gemaakt van het poëtische arsenaal van de literaire avant-garde, maar de kwatrijnen van Filter geven tegelijk de terugkeer aan naar een klassieke vormgeving. Overigens schreef Du Perron in zijn Perkens-periode onder het pseudoniem W.C. Kloot van Neukema Agath (1925), een erotische sonnettenkrans, waarin er lustig op los werd gerijmd. En in Duco Perkens’ laatste pennevrucht, het lange gedicht ‘Windstilte’ (december 1925), wordt een vernuftig rijmschema gebruikt.

Kunstopvatting
Als literair criticus manifesteerde Du Perron zich in het constructivistische tijdschrift De Driehoek onder andere met een kritiek op de bloemlezing Nieuwe geluiden (1925) van Dirk Coster, waarin hij zich afzette tegen Costers prozastijl vol deinende frasen en met ‘een onmatige zwelling van termen’. Du Perron was niet de eerste die zich keerde tegen de indertijd gevierde criticus Coster, maar wel de eerste die dat deed op grond van Costers onwaarachtige stijl. Acht jaar later vond in het analytische strijdschrift Uren met Dirk Coster. Een tegenstem (1933) de finale afrekening plaats met wie Du Perron was gaan beschouwen als de ultieme representant van de Hollandse ‘halfzachtheid’ (die volgens H.A. Gomperts bestond in ‘de onuitputtelijke bereidheid om in alles iets goeds en iets moois te zien’). In de verzuilde literaire wereld van Nederland aan het einde van de jaren twintig vielen Du Perrons oordelen aanvankelijk niet op. Na verschijning in tijdschriften werden ze samen met andere persoonlijke impressies gebundeld in de Cahiers van een lezer (1928-1929), die werden gedrukt in oplagen van slechts dertig exemplaren. Evenmin in wijdere kring opgemerkt was Het boozige boekje (1926), een bundel satirische gedichten waarin de draak werd gestoken met een aantal door het grote publiek alom gewaardeerde Nederlandse en Vlaamse dichters en critici. Du Perron dreef vooral de spot met hun heilige ernst, met wat Paul van Ostaijen de ‘hogeborstzetterij’ van het literaire establishment had genoemd. In dit opzicht waren hij, Van Ostaijen en Gaston Burssens elkaar zeer verwant: Van Ostaijen had voor hen drieën de geuzennaam ‘de on-serieuze escouade’ (van de Vlaamse letterkunde) bedacht. Zij delibereerden per brief - Van Ostaijen vanuit zijn sanatorium in Miavoye-Anthée - over de inhoud van het tijdschrift Avontuur (1928), waarvan drie nummers verschenen. Het laatste nummer was gewijd aan de nagedachtenis van Paul van Ostaijen, die op 17 maart 1928 aan zijn tuberculose was bezweken.
In andere opzichten verschilde Du Perron van zijn Vlaamse kompaan: terwijl de latere Van Ostaijen neigde naar de poésie pure en de hoogste vorm van poëzie voor hem een ‘in het metafyziese verankerd spel met woorden’ was, moest voor Du Perron een gedicht in groeiende mate een direct commentaar op het leven geven. Een bekend voorbeeld is zijn lange vers ‘Gebed bij de harde dood’ (1928), dat was opgedragen aan de nagedachtenis van de Waalse dichter Odilon-Jean Périer, terwijl in een van de strofen ook het lijden van Van Ostaijen wordt gememoreerd. Voor Du Perron had literatuur in de eerste plaats betekenis als uitdrukking van een persoonlijkheid, dat wil zeggen van een ongemaskerde mens die voortdurend zijn houding bepaalt tegenover het bestaan. Reeds in zijn brieven aan Clairette Petrucci had hij afgegeven op de valse pretentie van een Jean Cocteau en het belang onderstreept van oprechtheid voor een kunstenaar. Virtuositeit en talent vormen een bedreiging voor de persoonlijkheid van de kunstenaar: het gevaar bestaat dat hij zich overgeeft aan zijn talent en ‘literator’ wordt, een producent van boeken. Het is precies dit bezwaar dat Du Perron en Ter Braak, als de meest uitgesproken proponenten van Forum, hadden tegen de ontwikkeling van Simon Vestdijk, die zij steeds verder zagen afdrijven van de Forumiaanse criteria: het zag ernaar uit dat Vestdijk definitief had gekozen voor het talent in plaats van voor de persoonlijkheid. Schrijven was voor Du Perron – naar het woord van Pierre Dubois – ‘een vorm van leven, de directe expressie van het concrete bestaan in de werkelijkheid’, en dat begon er in de virtuoze, woordenrijke romans van Vestdijk steeds meer aan te ontbreken.

Kunstopvatting/Stijl
In verband met de eis van de onverhulde expressie van een persoonlijkheid (of ‘vent’) staat het criterium van een natuurlijke, niet-overladen stijl. De woordkunst van De Nieuwe Gids was uit den boze, evenals de associatieve woordenbrij van de surrealisten. Du Perron was ook allergisch geworden voor het arsenaal aan artistieke trucs waarmee in meer traditionele romans expliciete beschrijvingen worden gepleegd. Deze ‘vlezige stijl’ (de term is van Paul Valéry) wees hij af; een kale stijl waarborgt zijns inziens een grotere klaarheid en veroudert minder snel. In zoverre was zijn modernistische ziekte ook heilzaam geweest, dat hij procédés als montage en collage had opgedaan, die hem toestonden fragmenten werkelijkheid in zijn boeken in te lassen.

Kunstopvatting/Visie op de wereld
De twee woordvoerders van Forum gaven bovendien de voorkeur aan proza boven de poëzie, aangezien een schrijver zich in poëzie gemakkelijker zou kunnen verhullen. Een belangrijk artikel in Du Perrons literair-kritische stellingname is zijn ‘Gesprek over Slauerhoff’ (november 1930), een essay in dialoogvorm, waarin de ‘ik’ de oorspronkelijkheid en persoonlijkheid van Slauerhoffs werk verdedigt tegenover een estheet die in poëzie vooral zoekt naar technische perfectie en eeuwigheidswaarde. De ‘ik’ laat hem weten, dat de ‘paradekant’ van sommige poëzie hem koud laat. In een naschrift formuleert Du Perron zijn ultieme criterium, niet meer of minder dan een gevoelswaarheid: ‘Ik pleit voor de volle grootheid van een zuivere menselikheid, zonder buitenaardse belichtingen en geuren van amber en wierook: óók in de poëzie.’ Voor Du Perron was de waarde die Hollandse critici aan Slauerhoff wensten toe te kennen een soort van lakmoesproef: wie dichters als Leopold of Nijhoff boven Slauerhoff stelde, viel voor hem als estheet door de mand.


Vervolg Kritische beschouwing 2


Homepage: www.edpg.nl   E-mail: info@edpg.nl
© 2002-2011 E. du Perron Genootschap.  Laatste wijziging 1-04-2011 .

ontwerp WAMdesign amsterdam