|
vervolg Kritische beschouwing
door Kees Snoek
Terug naar begin van
de Kritische beschouwing.
Kunstopvatting/Techniek
In zijn studie Vorm of vent (1969)
heeft J.J. Oversteegen naar voren gebracht, dat Du Perrons kritieken
eigenlijk geen kritieken wilden zijn; zij waren de subjectieve uitingen
van een lezer, niet van een voorlichter, en lijden dan ook vaak aan een
impressionistische woordkeus. Anderzijds gaf Du Perron soms blijk oog
voor techniek te bezitten. W.J. van den Akker meent dat de vorm-of-vent
discussie veel te gechargeerd was (zoals J.C. Bloem indertijd ook al
beweerde) en vertekenend heeft gewerkt. Zo was de poëtica van Martinus
Nijhoff gericht op het ontstaan van poëzie, terwijl Du Perrons poëtica
uitging van een lezersstandpunt. Door het eigen werk van beide auteurs
meer te relateren aan de sociale context van hun tijd, is het mogelijk
aan hun schijnbare poëticale tegenstelling voorbij te gaan en oog
te krijgen voor hun verwantschap als auteurs die een existentieel failliet
weergeven. August Hans den Boef wijst er ten slotte op dat Du Perron
wel degelijk bewust literaire technieken heeft toegepast, waarmee de
mythe wordt ontkracht, dat hij volgens de idealen van Forum direct
uit het hart zou hebben geschreven.
Verwantschap
Als beginnend literair criticus voelde Du Perron een grote verwantschap
met Paul Léautaud, die in zijn kritieken voortdurend onopgesmukt
zichzelf durfde te zijn en lak had aan reputaties en de publieke opinie.
Evenals Léautaud was Du Perron een hartstochtelijk lezer voor
wie het lezen van literatuur een ontmoeting inhield met een persoonlijkheid;
beiden hadden een hekel aan schrijvers die zich achter mooie vormen verschuilen.
Léautauds satirische geest en non-conformisme, niet alleen in
zijn kritieken maar ook in andere prozastukken, sloten aan bij zijn eigen
antiburgerlijke houding. Volgens Philippe Noble was ook André Gide
een literair-kritisch model voor Du Perron. In zijn bespreking van Léautauds Passe-Temps (1929)
noemt Du Perron Gide als criticus oneindig beter, veel
intelligenter, veel penetranter dan Léautaud, maar ook behoedzamer,
toch enigszins beducht voor zijn reputatie. In zijn Cahiers
van een lezer en de heruitgave en aanvulling daarvan in de drie
deeltjes Standpunten & Getuigenissen - Voor
kleine parochie (1931), Vriend of vijand (1931)
en Tegenonderzoek (1933) - treft vooral
Du Perrons verwantschap met Léautaud. De improviserende stijl
van de Cahiers van een lezer kan ook gerelateerd
worden aan die van Stendhals notities. Uitvoeriger en objectiever is
Du Perron in zijn literaire kronieken die hij tussen 1937 en 1940 schreef
voor het Bataviaasch Nieuwsblad. Daarin
hield hij veel meer rekening met zijn lezerspubliek en nam hij, zonder
afbreuk te doen aan eigen overtuigingen, een voorlichtersrol op zich.
Stijl/Techniek
In zijn eigen poëzie ging tegen het einde van de jaren
twintig een praatstijl domineren. Niet voor niets bundelde
hij in 1930 een keuze uit zijn gedichten onder de titel Parlando. Zijn
techniek is niet altijd vlekkeloos en Anthonie Donker klaagde erover
dat zijn verzen vaak in de laatste regels kapotsprongen. Door een plotselinge
verandering van toon, een spottende regel aan het eind, verbrak hij soms
de ontroering waarmee hij eerst een sfeer had opgebouwd.
Kritiek
Contemporaine critici uit levensbeschouwelijke hoek oordeelden
vaak negatief over Du Perrons poëzie, die hun veel te cynisch was.
Alleen zijn Gebed bij de harde dood en het sfeervolle sonnet Het
kind dat wij waren vonden vrij algemeen waardering. Ook na de oorlog
schreef F. Sierksma nog dat bij de dichters van Forum de
ziel in ontgoocheling en verbittering de motor is van hun werk.
Ada Deprez wees in 1989 op het paradoxale karakter van Du Perron. Zo
heerst ook in zijn poëzie een paradox tussen romantiek en nuchterheid:
een traditionele, negentiende-eeuws romantische thematiek wordt op onmiskenbaar
moderne wijze vormgegeven. In het kwajongensachtig, ondeugend plezier
waarmee hij een romantische aandoening om zeep hielp, toonde hij zich
verwant aan Richard Minne en Heinrich Heine. Een groot talent als dichter
had Du Perron volgens Ada Deprez niet, wel een volkomen eigen geluid
en een sterk persoonlijke aanwending van de taal en de prosodie.
Traditie/Verwantschap
Ook Ronald Spoor en Herman Verhaar brengen het onmiskenbaar
eigen geluid van Du Perron naar voren. Zij karakteriseren zijn
poëtische oeuvre als eerder episch dan lyrisch en situeren
het tussen Van Ostaijen, Slauerhoff en Nijhoff ondanks de bezwaren
die Du Perron daar zelf tegen zou hebben ingebracht omdat hij de poëzie-opvattingen
van Van Ostaijen en Nijhoff afwees. Door andere critici wordt gewezen
op de verwantschap van Du Perrons parlando-verzen met die van zijn vriend
Jan Greshoff. Ook buitenlandse invloeden worden soms genoemd. Zo worden
de Perkens-gedichten wel in verband gebracht met Franse dichters als
Paul Morand, Blaise Cendrars, Valery Larbaud, Apollinaire en zelfs Jean
Cocteau. Het cynisme, de nonchalante toon en het sterk persoonlijke taalgebruik
van de parlando-verzen doen daarentegen denken aan Tristan Corbière.
Visie op de wereld/Verwantschap
Wat Du Perrons proza betreft, valt vooral een verwantschap
met Valery Larbaud te onderkennen, wiens roman A.O.
Barnabooth (1913) hij in 1923 las en meteen promoveerde tot zijn livre
de chevet. Met Larbaud deelde hij een voorkeur voor de kosmopoliet,
intellectueel en avonturier. De rijke, verveelde kosmopoliet Barnabooth
die zich in zijn dagboek een gevoelig waarnemer toont, werd voor Du Perron
een soort model. Evenzeer als Barnabooth voelde hij zich een individualist
die zich verzette tegen burgerlijke conventies en vóór
alles zijn vrijheid opeiste. In zijn Perkens-tijd had hij zelfs Barnabooth
geïmiteerd door af en toe boeken te stelen uit een winkel, louter
om wille van de sensatie en om later zijn burgerlijke vriendinnen met
zijn relaas te kunnen choqueren. Maar behalve deze kwajongensstreken
leerde hij van Larbaud het afstand nemen van eigen werk door middel van
ironie en gefingeerde voorwoorden. In Du Perrons eerste roman, Een
voorbereiding (1927), wordt het verhulde autobiografische verhaal
van zijn eerste Europese liefde en zijn ervaringen in Montmartre met
veel ironie en distantie opgediend. De ironie ondermijnt de melancholie
van het in wezen romantische hoofdpersonage.
Een kosmopolitische houding, zin voor avontuur en een scherp intellect kenmerkten
ook André Malraux, met wie Du Perron in november 1926 kennis maakte en
in de loop van 1927 vriendschap sloot. Bij de jeugdige Malraux, net terug uit
Indochina en beschuldigd van kunstdiefstal, kwam daar ook een gevoel bij voor
de zotte en absurde aspecten van het bestaan, waarvoor hij de term farfelu gebruikte.
Dit sprak Du Perron, die nog een poging heeft gewaagd om een jeugdwerk van Malraux
te vertalen, bijzonder aan. In de jaren dertig kreeg Malraux avontuur echter
in toenemende mate een politiek accent, dat vreemd was aan Du Perrons wezen,
dat wil zeggen zijn historisch gegroeide persoonlijkheid zoals hij die zelf waarnam.
Evenals Larbaud voelde Du Perron zich lange tijd een politiek afzijdige non-conformist.
Toch waren met dit antiburgerlijke non-conformisme al de voorwaarden geschapen
voor zijn latere engagement.
Thematiek/Visie op de wereld
In zijn gedicht Gebed bij de harde dood heeft
Du Perron uitdrukking gegeven aan zijn opstandigheid tegen de absurditeit
van het leven. Op de bodem van zijn psyche leefden een fundamentele onzekerheid
en een doodsangst, die zijn ervaring van het absurde hebben gevoed. H.A.
Gomperts spreekt in zijn baanbrekende opstel uit 1959 zelfs van de chaos, het
rijk van de duisternis en de manicheïsche duivel waardoor
Du Perron zich bedreigd voelde. Door middel van luciditeit trachtte hij
angst en chaos op afstand te houden. Volgens Gomperts moeten we hierin
de verklaring zoeken voor zijn persoonlijke behoefte aan helderheid,
zakelijkheid en scherpe contouren en zijn afkeer van vaagheid en
sfeerbeschrijvingen.
In dit verband treft ook zijn voorkeur voor detectiveverhalen, waarin het rijk
van het kwaad immers met de grootst mogelijke luciditeit wordt bestreden; in
1938 verscheen van zijn hand Het sprookje van de misdaad.
Dialogen over het detektive-verhaal gevolgd door De werkelike dArtagnan,
waarin hij zijn fascinatie voor het detectiveverhaal exploreert. De manicheïsche
duivel waart ook rond in de groteske verhalen uit Nutteloos
verzet (1929). Moorden en (psychische) ziektegeschiedenissen domineren.
Zo komt er in Zo leeg een bestaan een massamoordenaar voor, Ralf
de Splijter, die zijn beroep eraan geeft als hij moet erkennen, dat
iemand anders een perfecte, gruwelijke moord heeft gepleegd waar híj niet
aan kan tippen. Het verhaal Het Drama van Huize-aan-Zee is geïnspireerd
op de neurasthenie en de zelfmoord van Du Perrons vader. In De Avonturiers komen
drie vrienden voor waarin de insiders een fictionele maskerade van de vrienden
André Malraux, Pascal Pia en Eddy du Perron konden herkennen. Hilarion,
het alter ego van Du Perron, gaat een politieagent te lijf, omdat hij vindt dat
er iets gebeuren moest en wordt in zijn handgemeen bijgestaan door zijn
vrienden. De drie jongemannen krijgen de zwaarste straf, omdat ze verklaren geen
motief voor hun optreden te hebben, zelfs niet van anarchistische aard. De gruwelijke
en absurde gebeurtenissen in deze verhalen worden met grote afstandelijkheid
verteld. Deze distantie heeft Du Perron bereikt door een aantal vertellers te
laten optreden die hun verslag van de gebeurtenissen in een vraag- en antwoordspel
opbouwen en van laconiek commentaar voorzien. In een herziene en met één
verhaal vermeerderde druk van Nutteloos verzet (1933)
heeft Du Perron de vertelsituatie vereenvoudigd tot twee vertellers: Oskar en
Justus.
Ontwikkeling
De vervreemdingseffecten die Du Perron in Een voorbereiding toepaste,
duiden op zijn vroege receptie van het Modernisme, met name van Larbauds
Barnabooth en Gides Les faux-monnayeurs (1926).
In 1935 verscheen Het land van herkomst,
een hybridische roman waarin Indische jeugdherinneringen worden afgewisseld
met voor de jaren dertig typerende gesprekken tussen intellectuelen in
Parijs, terwijl een derde laag gevormd wordt door de reflecterende verteller
tijdens zijn schrijfact en, naar het einde toe, dagboekfragmenten waarin
een lopend commentaar wordt gegeven op politieke demonstraties in Parijs:
de actualiteit die de roman overspoelt. De chronologie wordt
herhaaldelijk doorbroken voor een thematische concentratie. Vele contemporaine
critici wisten niet goed raad met deze roman die zoveel weg
had van een autobiografie met essayistische elementen. In de discussie
die zich ontspon heeft Du Perron behalve op Larbaud en Gide ook gewezen
op het werk van Marcel Proust, Ulysses van
James Joyce en Point Counter Point van Aldous
Huxley.
Kunstopvatting/Visie op de
wereld
In hun baanbrekende studie uit 1984 hebben Douwe Fokkema
en Elrud Ibsch argumenten aangevoerd om de schrijver van Het land van
herkomst te situeren in het gezelschap van Joyce, Larbaud, Proust, Gide,
Virginia Woolf, Italo Svevo, Robert Musil en Thomas Mann. Zij rekenen
deze auteurs althans bepaalde werken van hen - tot de Europese
stroming van het Modernisme (met een hoofdletter, ter onderscheiding
van het modernisme ofwel de historische avant-garde). In
Modernistische romans wordt afgezien van deterministische (naturalistische
of psychologische) verklaringen en fungeert het a-chronologische bewustzijn
als ordenende factor. In de Modernistische code wordt de betrouwbaarheid
van het geheugen geproblematiseerd, vervaagt de grens tussen roman en
essay en wordt er dikwijls over het vertelde gereflecteerd. Het Modernistisch
semantisch universum is opgebouwd uit de begrippen bewustzijn, onthechting
of gereserveerdheid en observatie of waarneming, die
worden gezien als een drietal concentrische cirkels, waarvan het bewustzijn zich
in het centrum bevindt. Het Modernisme is afkerig van welke ideologie
dan ook; geen enkel standpunt behaalt de overwinning, ook niet dat van
de herinnering, die Francis Bulhof in zijn analyse van de roman (1980)
liet triomferen over de vernietiging door de tijd. Naar het inzicht van
Fokkema en Ibsch is Het land van herkomst een
pleidooi voor een persoonlijke visie op het verleden als vaccin tegen
welke ideologie dan ook. Een enigszins doorgeschoten Modernistische
interpretatie levert Hans van Stralen (1990), die het bewustzijnsveld
van Het land van herkomst vooral gekarakteriseerd
wil zien door onthechting en ballingschap. In
het commentaar bij de kritische leeseditie van Het land van herkomst
wordt afstand genomen van het hier geconstrueerde psychologisch
portret van de onthechte vluchteling Du Perron. Een
zuiver Modernistische interpretatie van de roman wijzen de editeurs eveneens
af: weliswaar wordt de herinnering als herinnering geproblematiseerd
en fungeert het bewustzijn als de ordenende instantie op die plaatsen
waar de chronologie ontoereikend is, maar de Indische hoofdstukken en
ook de latere Parijse betogingshoofdstukken sluiten niet aan bij de Modernistische
code, daarvoor is de precisie in de details te groot. Bovendien is de
Indische Ducroo veeleer een man van de negentiende eeuw die allerminst
blijk geeft van een Modernistische oriëntatie. Het Modernistische
element in Het land van herkomst kunnen
we echter wèl traceren in de Parijse hoofdstukken, waarin de intellectuele
vrienden met elkaar over alle mogelijke onderwerpen debatteren, en in
de spanning tussen Indië en Parijs.
In een literair-sociologische beschouwing uit 1979 wees Dina van Berlaer-Hellemans
al op de spanning in Het land van herkomst tussen
een Bildungsroman en een meer modernistische bewustzijnsroman. De
Bildungsidealen van de jonge Ducroo - die van ridderlijke daadkracht, individualistische
weerbaarheid, avontuur en romantische liefde - worden niet gerealiseerd door
de Europese Ducroo, die naar zelfkennis streeft in een machteloze bezinning
of bewustzijn in afzondering. Het individualisme van de Indische identiteit
was gebaseerd op het burgerlijke bezit en sterk gebonden aan de hoogkapitalistische
conjunctuur van de kolonie. De romantische liefde kan als een gereduceerd Bildungsideaal
worden gezien, maar zelfs dat blijkt niet haalbaar, omdat het een vorm van eigendomsrecht
impliceert. De bezinning van de hoofdpersoon stuit op zijn ideologisch beperkte
bewustzijn, maar desondanks kiest hij toch voor het individualisme, wat een eerste
stap is op weg naar het irrationalisme.
Deze conclusie doet denken aan verwijten van politiek escapisme en gebrek aan
reëel politiek engagement die Du Perron in de jaren zestig en zeventig zijn
gemaakt door diverse links-geëngageerde critici. In 1991 werd in De
canon onder vuur een doortastende feministische visie op Het
land van herkomst verwoord, waarin bewust geen rekening werd gehouden
met de voorkeur voor het schimmige gebied van associatie en herinnering,
waar de ongrijpbaarheid van de waarheid wordt uitgebuit om ideologisch de nek
niet te hoeven uitsteken. Arthur Ducroo en Eddy du Perron werden in deze
anti-Modernistische analyse aan elkaar gelijkgesteld en als racist en seksist
ontmaskerd. Dat dergelijke ideologisch bepaalde analyses geen recht doen aan
de complexiteit van Het land van herkomst en de
psyche van de auteur niet goed in het vizier krijgen, is in de loop van de jaren
negentig door uiteenlopende critici betoogd.
Thematiek
De spanning tussen Modernistische en deterministische elementen
in de roman is door A.F. van Oudvorst beschreven als de tegenstelling
tussen identiteit en omstandigheden. Hij wijst erop, dat ook in deze experimentele
bewustzijns- annex herinneringsroman dikwijls een beroep wordt
gedaan op de verklarende kracht van de omstandigheden, dus op een naturalistische
premisse, die afbreuk doet aan het Modernistische persoonlijkheidsideaal.
De invloed van de omstandigheden wordt anderzijds door Ducroo zelf genuanceerd
in de volgende paradox: men ontwikkelt zich ook door de omstandigheden
alleen volgens zijn eigen natuur.
De term onthechting uit de Modernistische code impliceert volgens
Van Oudvorst een te grote afzijdigheid: de schrijver is zich juist scherp bewust
van de (politieke) realiteit van zijn tijd, maar hij weigert de collectivistische
waarden te accepteren. Tegenover depersonaliserende ideologieën stelt hij
zijn absolute waarde, die bestaat in de trouw aan zichzelf. Hij probeert uit
alle macht zijn persoonlijkheid niet de dupe te laten worden van
de omstandigheden. Met zijn hoofd accepteert Ducroo weliswaar de contemporaine
realiteit, maar met zijn hart blijft hij die verfoeien. Het centrale thema van Het
land van herkomst moet dus volgens Van Oudvorst luiden: het conflict tussen
de persoonlijkheid en de omstandigheden.
F. Bulhof en G.J. Dorleijn (1996) achten deze interpretatie echter meer van toepassing
op de essaybundel De smalle mens (1934), een paralleltekst
van Het land van herkomst, dan op de roman. Als
men het door Van Oudvorst voorgestelde centrale thema aanneemt of dat van Fokkema
en Ibsch (het conflict tussen ideologie en persoonlijkheid), komen
het biecht-aspect, het motief van de huwelijkstrouw en de erotische jacht
op de Ene in de lucht te hangen. Tevens heerst er in de roman een
existentiële angst, die dieper gaat dan de vrees voor een historische catastrofe,
zoals blijkt uit de moordobsessies die Arthur Ducroo in zijn puberteit zodanig
kwelden, dat hij niet naar school kon gaan. Daarom verdient een meer abstracte
omschrijving van het onderwerp van de roman de voorkeur, namelijk: de strijd
van het individu om de verbrokkeling van het leven door de tijd tegen te gaan,
waarbij de trouw als centraal thema een ondersteunende functie heeft.
Motieven zijn er in deze rijkgeschakeerde roman te over: heroïsme en wreedheid,
mystiek, afkeer van de politiek, loyaliteit en oprechtheid, vriendschap en huwelijkstrouw,
jaloezie, het scheppen van een eigen personage en het spelen van een rol, cynische
verachting voor de burger en de romantische jacht op de Ene.
Bronvermelding
De Kritische beschouwing over
het werk van E. du Perron is opgenomen in het Kritisch
Literatuur Lexicon; een uitgave van Wolters Noordhoff,
Groningen.
|
  |